Tonja Kivits

GUSTAVE FLAUBERT – KINDJE VAN MAMA

Tweehonderd jaar geleden – 12 december 1821 – werd in de Franse stad Rouen in de provincie Normandië Gustave Flaubert geboren. Hij zal literaire roem vergaren als hij in 1856 ‘Madame Bovary. Moeurs de Province’, publiceert. ‘Hoe kan iemand,’ zo luidde de kritiek bij het verschijnen ervan, ‘zich een zo verachtelijke stijl veroorloven, als op de troon, in de persoon van de Keizer, de grootste Franse schrijver is gezeten.’ De Franse schrijver en tijdgenoot Guy de Maupassant (1850-1893) sprak van een ‘revolutie in de literatuur’. Flaubert had, in zijn ogen, geen roman geschreven waarin immers altijd sprake is van verbeelding, maar hij had het leven zoals het zich aan ons voordoet blootgelegd. De Amerikaanse schrijver Henry James (1843-1956) schreef in 1902 dat Flaubert met ‘Madame Bovary’ de totale perfectie had weten te bereiken. Ook ik kan niet ontkennen dat hij een kunstwerk van het hoogste niveau heeft neergezet, dat blijft boeien en actueel blijft.

Anne-Caroline Fleuriot trouwde in 1812 met de arts Achille-Cléophas Flaubert; hij is 27, zij is 18 jaar. Ze gaan in een vleugel naast het ziekenhuis wonen te Rouen, waar een jaar later een zoon wordt geboren die de naam van zijn vader krijgt en ook arts zal worden. De daaropvolgende jaren sterven alle 4 pasgeborenen voor hun eerste levensjaar, totdat Gustave in 1821 het levenslicht ziet. De ouders hoopten vurig op een meisje, dat alsnog 3 jaar later zal worden geboren en de naam Caroline krijgt. Kortom, drie van de zeven kinderen zijn in leven gebleven, wat een aardig gemiddelde is voor die tijd.

Gustave lijkt als klein jongetje niet echt tot bloei te komen. Hij maakt een versufte en uitgebluste indruk, met zijn duim in de mond, doof voor wat er om hem heen wordt gezegd en niet in staat een zin foutloos uit te spreken. Zijn vader is ernstig teleurgesteld in hem. Hij ergert zich aan zijn lompe en bekrompen zoon.

Maar gelukkig voor Gustave krijgt zijn leven een andere wending. Als adolescent, zo omschrijft hij zichzelf ‘was ik schitterend mooi, lang – 1m.83 -, zeer slank, levendige huidkleur, heldere kastanjebruine ogen met een jeugdige en directe blik.’ Kortom, hij heeft de allure van een atleet in topvorm. Hij wordt dan gezien als een jongeman die zich volledig bewust is van zijn fysieke en morele schoonheid of in de woorden van zijn vriend Maxime Du Camp (1822-1894) : ‘Met zijn blanke huid die op de wangen lichtelijk roze was, met zijn lange wapperende haren, met zijn enorme gestalte en brede schouders, met zijn weelderige, goudblonde baard, met zijn enorme grote, zeegroene ogen beschut onder zwarte wenkbrauwen, met zijn stem die weerklonk als trompetgeschal, en zijn overdreven gebaren en kletterende lach leek hij op die jonge Gallische aanvoerders die het Romeinse leger bestreden.’

Als hij – 15 jaar oud – tijdens een vakantie in de Normandische badplaats Trouville de 27 jarige Elisa Schlésinger (1810-1888) ontmoet, raakt hij in een buitenzinnige extase. En ook zij, hoewel gehuwd, kan de verleidelijke jongeman niet weerstaan. Elisa wordt zijn muze en inspiratiebron en zal onder de naam Marie Arnoux haar verhaal doen in ‘L’Éducation sentimental’ (1869). Een roman over besluiteloosheid en mislukking waarin de held Frederic Moreau aan de hand van 3 vrouwen de leerschool der liefde doorloopt: de platonische, de sensuele en de berekende liefde, wat uiteindelijk leidt tot het inzicht dat hem slechts een leven van gemiste kansen en zonder een waarachtige betekenis rest.

In 1841 laat hij zich op sterk aandringen van zijn vader inschrijven aan de rechtenfaculteit te Parijs. Zodra hij aankomt schrijft hij meteen een brief aan zijn moeder om haar gerust te stellen: ‘Alles is goed, alles gaat goed, alles is volgens het best mogelijke, om met Candide te spreken.’. Maar nadat hij even naar de faculteit is gegaan om het programma te bekijken, keert hij weer onmiddellijk naar Rouen terug. Zo reist hij aldoor heen en weer tussen Parijs en Rouen.  Ook als hij Parijs is, zit hij meer met zijn gedachten thuis. Hij droomt, zoals gewoonlijk, van de huiselijke haard in Rouen ‘…Ik zit nu weer in mijn eentje aan jullie te denken, me voor te stellen wat jullie aan het doen zijn. Jullie zitten allen in een hoek bij het vuur, waar ik, als enige, ontbreek…’

In Parijs bezoekt hij de bordelen. ‘Hoe zou ik me beklagen over het leven zolang er bordelen zijn om je te laten troosten in de liefde en zolang er een fles wijn is om je verstand kwijt te raken,’ schrijft hij aan een goede vriend.  Maar het zal niet lang duren voordat Flaubert een venerische ziekte oploopt, en later op zijn reis door Azië en Afrika, syfilis, wat hem – 28 jaar oud – zal doen veranderen in een ouwe,  dikke, kalende en opgezwollen man, met uitpuilende ogen en bolle oogleden, volle wangen, een zware hangsnor, en een gezicht vol butsen en rode vlekken, wat hem overigens niet zal beletten de liefde te bedrijven en bordelen te bezoeken. Over vrouwen in het algemeen geen goed woord: ‘Mannen zoals wij hebben een vrouw nodig die weinig opvoeding heeft genoten en weinig ontwikkeld is, een vrouw die bestaat uit louter vrolijkheid en natuurlijke gevoelens, en wel omdat zo iemand ons kan opbeuren en ons plezier kan schenken net als een aardig beest, waaraan wij ons kunnen hechten. Maar als een maîtresse een beetje met de maatschappij en met wat kunst en literatuur in aanraking is geweest en als zij op gelijke voet wil verkeren met wat wij denken en aan schoonheid wil beleven, als zij mee wil doen met of deel wil hebben aan onze boeken of onze smaak, dan wordt zij voor ons net zo onverdraaglijk als een niet goed gestemde piano, – en werkt zij al snel onze afkeer op.’

Een maand nadat hij gezakt is voor zijn examen (1844) krijgt hij een epileptische aanval. Hoewel de vader twijfelt aan deze diagnose dat zijn zoon epilepticus is, staat hij toe dat hij zijn rechtenstudie mag afbreken, en Gustave komt nu permanent thuis wonen. En meteen knapt hij op, want dit is wat hij wil. Weg van de juridische wereld, en heerlijk in het huiselijke nest bij moeder en zus Caroline. ‘Mijn ziekte zal altijd het voordeel hebben dat men mij bezig laat zijn zoals ik dat wil.’ Dit geluk neemt alleen maar toe als vader een buitenhuis koopt in Croisset, enkele km. buiten Rouen. Het is een lieflijk kasteeltje uit de 18de eeuw met een tuin die langs de rivier loopt. Flaubert zal zijn hele leven hier blijven wonen, met af en toe uitstapjes naar Parijs. Zo ondergedompeld in de traagheid en de stilte van het platteland leidt hij het bestaan waarvan hij droomt. Hij leest en schrijft, wandelt en zwemt in de rivier de Seine die langs zijn huis stroomt, en geniet met volle teugen van de moederlijke zorg en de adoratie voor Caroline: ‘Soms voel ik bij mijn lippen de behoefte je lekkere wangetjes te kussen, fris en stevig als een schelp.’

Als Caroline – 21 jaar – trouwt met een jongeman, eveneens afkomstig uit Rouen, gaat het gehele gezin Flaubert mee op huwelijksreis. Echter het wordt geen gezellig uitstapje. Allen worden ziek. Gustave heeft 2 aanvallen, Caroline klaagt over hoofdpijn, vader Flaubert over zijn ogen en moeder Flaubert over voortdurende benauwdheden. De reis wordt afgebroken.

Caroline en haar man gaan in Parijs wonen. Ze wonen in de dienstwoning bij haar oudste broer Achille die zijn vader is opgevolgd als chirurg, in de woning die hoort bij het ziekenhuis. Een week nadat vader Achille-Cléophas Flaubert is gestorven – 1846 – brengt Caroline een meisje ter wereld, die haar naam zal dragen. Caroline sterft in het kraambed. De volgende dag laat Gustave een afgietsel maken van haar hand en van haar gezicht. Vervolgens gaan de moeder, Flaubert en de baby terug naar Croisset. En Emile, de vader… Hij wordt buitengesloten, ook al stribbelt hij hardnekkig tegen. Ze moeten met een proces dreigen om de kleine Caroline onder hun hoede te behouden. Emile geeft zich gewonnen. En Gustave, zijn moeder en de kleine Caroline kunnen nu ten volle gaan genieten van hun ménage à trois in hun kasteeltje in Croisset.

Eind 1846 gaat Flaubert naar Parijs om bij de beeldhouwer Jean Jacques (James) Pradier (1790-1852) een buste van Caroline te bestellen. In zijn atelier waar het zoals gewoonlijk wemelt van vrienden en prostituées die roken, drinken en kletsen ontwaart hij een blonde vrouw en valt hij als een blok voor haar. Ze heet Louise Colet (1810-1876). Zij is 36, hij is 25.  Ze schrijft gedichten en beroemt zich erop een vrijgevochten bestaan te leiden. Zo kent ze vele minnaars, onder wie schrijver, dichter en politicus François de Chateaubriand (1768-1848), de zeer invloedrijke en vlijmscherpe criticus Charles Augustin Sainte-Beuve (1804-1869), en uiteraard wordt ze de minnares van Gustave Flaubert. Samen met haar beleeft hij – en ook andere minnaars zoals de dichter Alfred de Musset (1810-1857) – de doldwaze rit in de calèche door de straten van Parijs die hij in zijn ‘Madame Bovary’ minutieus zal beschrijven. Wat zal hij gegniffeld hebben met het publieke schandaal dat losbarstte. Het leverde hem een proces op, en uiteraard veel publiciteit. Flaubert werd vrijgesproken van ‘aantasting van de goede zeden’, maar ‘Madame Bovary’ werd meteen een bestseller.

De affaire ging als een lopend vuurtje door Rouen en omgeving. Delphine Couturier, mooi, jong en ongelukkig, was de (tweede) vrouw van Eugène Delamare, arts en assistent van dokter Flaubert, de vader van Gustave Flaubert. Zij pleegde zelfmoord, liet schulden na en stond bekend om haar uitbundige liefdesaffaires. Enkele maanden na haar dood stierf eveneens haar man Eugène. Een klein meisje bleef alleen achter. Onder de pen van Flaubert kwam Delphine als Emma tot leven, Eugène werd Charles, en de kleine meid werd Berthe.

Madame Bovary is het enige oeuvre van mijn leven,’ zal Flaubert zeggen. Hij kroop als het ware in de huid van zijn gecreëerde personage. Hij genoot en leed met Emma mee. Toen hij de zelfmoord door vergiftiging van Emma beschreef, had hij een pijn gevoeld alsof er een koperen plaat in zijn maag stak, een pijn waardoor hij twee keer had moeten braken. Als Emma kirde als een jonge geit, kirde hij luidop mee, en dompelde zich onder in haar wellust. Gekluisterd aan zijn werktafel werkte hij soms wel zeven uur aan een stuk door. ‘Ik martel mezelf, ik wroet mezelf om,’ schrijft hij aan Louise Colet. ‘Wat een zware roeispaan is zo’n ganzenveer toch… ik verspil een hoop papier. Wat een doorhalingen… U zou zeker medelijden met me krijgen.’

Emma Bovary is het tragische voorbeeld van iemand die verliefd is op een droombeeld en de eisen van het alledaagse bestaan niet kan aanvaarden. ‘Madame Bovary’ verhaalt derhalve niet alleen de lotgevallen van Emma, haar man Charles en de kleine Berthe, haar minnaars Léon en Rodolphe, maar van het trieste doelloze provinciale bestaan. Charles is de middelmatigheid ten top, Rodolphe een verleider van het banale niveau, Léon een slappeling en een lafaard, de apotheker Homais een onuitstaanbare kwal die uitmunt in stompzinnigheid, en de kleine Berthe, de vergetene, de niet gewenste, de afgewezene door moeder Emma maar ook door de auteur zelf die er weinig woorden aan vuil maakt. Arme Berthe die na de dood van haar ouders nergens meer onderdak vindt en geluidloos van het toneel verdwijnt.

En terwijl Flaubert als een waanzinnige door blijft schrijven – ‘Salammbô’ (1862),  ‘La Tentation de Saint Antoine’ (1874), ‘Bouvard et Pécuchet’ (niet voltooid) – neemt het dagelijks leven van Gustave, mama, die hij aanbidt en de kleine Caroline, die hij koestert als zijnde zijn dochter, een andere wending. Caroline wil zich bevrijden uit deze strikte ‘ménage à trois’, waarin ze klem zit tussen de geleerdheid van haar oom en de ouderdom van haar grootmoeder. Ze is 18 jaar en houdt van flirten. Moeder Flaubert ziet het met lede ogen aan en regelt een huwelijk voor haar met een 30-jarige man, met een goed inkomen, en Gustave stemt ermee, weliswaar met tegenzin ‘Ik hou zoveel van je, en je trouwdag zal geen vrolijke dag voor mij worden. Hoewel ik van nature niet jaloers ben, zal de snuiter die jouw echtgenoot zal worden, mij niet aanstaan, wie hij ook moge zijn,’ schrijft hij haar. En nu Caroline is uitgehuwelijkt, wordt de band tussen de 70-jarige moeder en de 42-jarige zoon nog intenser. Ze zijn onafscheidelijk en leven als ‘man en vrouw’ samen verder. Als moeder in 1872 sterft, is Gustave danook reddeloos verloren. ‘Mijn enige verstrooiing,’ zo schrijft hij aan Caroline, ‘is het knuffelen van mijn hond Julio, tot wie ik hele redevoeringen afsteek.’ En bij thuiskomt, gaat hij allereerst naar de kamer van zijn overleden moeder waar niets is veranderd en hij de kasten doorzoekt en de jurken die zij heeft gedragen betast en de geuren ervan inademt . En als hij op een avond haar hoed en sjaal niet kan terugvinden, raakt hij in een totale razernij, en beschuldigt Caroline ervan dat zij die heeft weggegooid.

Hij leeft in afzondering en raakt steeds meer geïsoleerd. Als Caroline hem verzoekt om bij haar in Parijs te komen wonen, ziet hij gaan andere uitweg om op daarop in te gaan. 8 Mei 1880 staat hij op het punt van vertrek. Hij zakt in elkaar, en verliest het bewustzijn. Een hersenbloeding is hem fataal gebleken. Caroline neemt de taak op zich te ontfermen over zijn nalatenschap. Zij overlijdt – 85 jaar oud – in 1931.

Het leven je eigen maken

`Mijn God, alles is er al. Men komt, men vindt een leven, kant en klaar, men hoeft het maar aan te trekken,’ laat Rilke Malte Brigge in `Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge’ zeggen. Als het leven dat daar kant- en klaarligt precies past en comfortabel zit, is er geen vuiltje aan de lucht. Men leidt een fijn en tevreden leven. Of zoals de sprookjes gewoonlijk eindigen: Ze leefden nog lang en gelukkig.

Helaas komen sprookjes niet altijd uit en zit de levensjas die men kant en klaar aantreft niet altijd prettig en comfortabel. Hij knelt soms of hij zit veel te ruim, is te koud voor de tijd van het jaar of juist te dik en te zwaar of te licht voor degene die hem moet aantrekken. De overvolle wachtlijsten bij psychologen en psychiaters getuigen dat men het leven dat men kant en klaar aantreft beter niet zomaar klakkeloos kan aantrekken. Soms moet men radicaal een daad stellen om wat lekkerder in zijn kleren te zitten, zoals Augustine, een personage uit de film ‘Huit Femmes’ van de Franse regisseur François Ozon (1967-).

In deze film maken we kennis met een aan de rolstoel gekluisterde moeder die twee dochters heeft. Het leven lag als een jas voor beide dochters kant en klaar, ze hoefden die jas maar aan te trekken. Echter wat voor de één als een flamboyante jas is, blijkt voor de ander veel te krap en ongemakkelijk te zitten. Ozon beeldt dat ook letterlijk uit. De ene dochter Gaby – fantastisch neergezet door Cathérine Deneuve (1943-) – is uitgegroeid tot een beeldschone, tot volle wasdom gerijpte vrouw. Ze kan zich kleden in grootse en wijde gewaden. Ze is getrouwd, heeft uiteraard ook daarnaast een minnaar, heeft twee dochters en is rijk. Zij is de stut van de armlastige moeder en haar zuster Augustine.

Deze zuster had beter het leven dat daar kant en klaar lag niet klakkeloos aan kunnen trekken. Zij is verworden tot een zure, magere, gefrustreerde, krijsende en tierende ongetrouwde, seksloze vrouw. Het cliché ten top. Isabelle Huppert (1953-) belichaamt deze rol met verve. Twee dochters, twee totaal verschillende vrouwen. De een –Deneuve – om wie alles draait; de ander – Huppert – die niet meetelt, die alleen maar aandacht krijgt als ze herrie schopt of scènes maakt, dreigt met zelfmoord, of de mensen in haar entourage tegen elkaar uitspeelt.

Terwijl de een de moederfiguur in huis is geworden, die zich ontfermt over moeder en zuster, is de ander het kleine hulpeloze meisje gebleven dat afhankelijk is van moeder en zuster. We nemen aan dat de mooie dochter de oudste is, en de magere seksloze de jongste, maar dat hoeft in feite niet. De een wordt voor vol aangezien en de ander wordt betutteld en genegeerd. Ach het is Augustine maar, horen we de nichtjes (dochters van de zus) herhaaldelijk zeggen. Let maar niet op haar.

Ozon laat de hulpeloze, krijsende Augustine niet aan haar lot over en verpieteren in haar ongelukkige leven. Op een gegeven moment laat hij haar ook als een mijn tot ontploffing brengen en geeft haar het heft in eigen handen. Niet zonder hulp van haar zus weliswaar, maar het resultaat is verbluffend.

De scène is als volgt: Voor de zoveelste keer veroorzaakt Augustine stennis. Ze krijst en gaat tekeer. Dit keer is de moeder haar doelwit. Augustine fulmineert dat ze haar moeder (Danielle Darrieur 1917- 2017) zal ombrengen want ze is het meer dan zat. ‘Het’ is dan het leven, het niet meetellen, het er niet bij horen, het geen seks kunnen hebben en er zo naar verlangen. ‘Het zit me tot hier,’ krijst ze haar moeder in het gezicht. En meteen de daad bij het woord voegend, legt ze haar handen om de nek van haar moeder. Maar dan opeens schrikt ze van haar eigen kloeke daadkracht. Onthutst trekt ze haar handen terug en schaamt zich diep om de moordlustige neigingen die haar parten hebben gespeeld. Dan komt haar mooie zus Gaby binnen, ziet wat Augustine aan het doen is, en grijpt in daar waar haar zus aarzelt en zich schaamt voor haar daad. Ze pakt een boek, slaat haar moeder daarmee op het hoofd en duwt haar met rolstoel en al de kast in. Moeder wordt letterlijk monddood gemaakt en in de kast opgeborgen.

Het verschil tussen de geslaagde en de mislukte zus kan niet beter worden uitgebeeld: daar waar Augustine alleen maar gilt en krijst en niet kan overgaan tot daden, heeft de ander goed begrepen dat je zelf je leven moet maken, of om in de woorden van Rilke: ‘De mens moet zichzelf schrijven. Hij is de indruk, die zal veranderen.’ Het resultaat is er dan ook naar. 

Even later zien we Augustine in een prachtig decolleté als een ware filmster de trap afdalen. Ieders mond valt van verbazing open. Is dat die lelijke, seksloze Augustine, roepen ze uit. Voor zich zien ze een femme fatale, sensueel en erotisch uitdagend. Een ware vrouw, iemand die men serieus neemt en met wie men rekening houdt. Augustine heeft, weliswaar met een klein duwtje in de rug van haar zus, het juk van de moeder van zich afgegooid. Ze heeft zich van haar moeder bevrijd en kan nu haar eigen leven gaan leiden. Ze is zelfbewust geworden, weet nu dat ze het leven aankan. Dat haar moeder aan macht heeft ingeboet – hetgeen Ozon uitbeeldt door de moeder verlamd ten tonele te voeren en haar in een rolstoel laat zitten – is niet voldoende gebleken. Want vanuit haar rolstoel had ze het leven van Augustine volledig in haar macht. Er moest tot een meer rigoureuze maatregel worden overgegaan. Moeder moest radicaal tot zwijgen worden gebracht. En als even later de moeder weer uit de kast wordt gehaald, en haar Augustine voor zich ziet staan, kan ze haar ogen niet geloven. Ze ziet een heel andere dochter. Niet meer het lelijke, gefrustreerde eendje, het hopeloze zorgenkindje, maar een zelfbewuste volwassen vrouw. Ze heeft de kleren van het leven dat haar moeder haar gaf af kunnen doen, en haar eigen kleren kunnen aantrekken. Want kleren die jezelf uitzoekt zitten nu eenmaal prettiger en staan je ook beter, laat Augustine ons triomfantelijk zien.

Augustine moest eerst haar moeder afwijzen – in de film letterlijk uitgebeeld dat moeder bewusteloos moet worden gemaakt en in de kast moet worden gestopt – om een eigen identiteit als vrouw te kunnen verkrijgen. Ook wij moeten in zekere zin moeder en vader (uiteraard ook) tot zwijgen brengen, willen we onafhankelijk en volwassen kunnen worden, een eigen IK / persoonlijkheid kunnen ontwikkelen.

LEDIGGANG IS DES DUIVELS OORKUSSEN

‘Elke ochtend als ik opsta, slaat de angst mij om het hart. Wat moet ik met deze dag, wat ga ik doen, hoeveel uur moet ik nog voordat ik weer naar mijn bed terug kan. Nee, ik ben niet neerslachtig, niet depressief, niet wanhopig. ik constateer alleen de essentie van het leven, en dat is VERVELING, de LETHARGIE VAN HET LEVEN. Ik kom van niets en ga naar niets. LEEGTE. Het niet te stillen verlangen om de tijd te doden.’ Of zoals het spreekwoord ‘lediggang is des duivels oorkussen’, zo treffend uitdrukt.

‘De verveling heeft met het amoureuze verlangen gemeen dat ze aan elke definitie ontsnapt,’ schreef Denis Diderot (1713-1784) in zijn Encyclopédie. ‘Het is geen verdriet, geen somberheid; het is het ontbreken van plezier, veroorzaakt door we weten niet wat, iets in onszelf of iets van buiten, die in plaats van onze ziel te vervullen, een ongemak of een walging veroorzaakt waar we niet aan kunnen wennen.’

De verveling is een ziekte van tijd – ze duidt een onvermogen aan om zich als er geen passende gebeurtenissen of activiteiten zijn, het verstrijken van de tijd zelf alle aandacht opeist. De tijd, jezelf in de tijd plaatsen, wordt het enige dat overblijft. De persoon die zich verveelt, verveelt zich omdat hij/zij niet het verloop van tijd begrijpt noch kan begrijpen. Het ‘nihil novi’, het eeuwige herhalen van dingen, gebaren, gevolgen die ons zo vervelen is alles wat ons rest.

Inertie is zonder project, zonder activiteit, zonder doel, zonder verdieping…. ‘Het verlammende rendez-vous met het pure verstrijken van de tijd noemen we verveling,’ schrijft historicus Philipp Blom (1970-) in zijn essay ‘De Tijd‘. Maar helaas, want in de verveling wil de tijd juist niet verstrijken, de tijd stokt, blijft stilstaan en sleurt zich ondraaglijk voort.

De strijd tegen de verveling is het grote, nee het grootste, gevecht van de mens. Elke activiteit, wat het ook is, is beter dan niets, dan rust, want rust is niets anders dan verveling. Niets is erger dan dat, geen passies, geen activiteiten, geen afleiding. Het enige dat voelbaar is, is het NIETS, de onmacht, de LEEGTE.

De Franse filosoof Blaise Pascal (1623-1662) bracht deze ‘zwartgalligheid’ als geen ander onder woorden in zijn ‘Pensées‘. ‘Verveling,’ schrijft hij, ‘is het lot dat ieder mens wacht.’ Verveling is voor hem een bedreiging dat het diepste van de mens raakt. Je wacht op iets zonder te weten waarop je wacht. Het ene moment volgt op het andere, zonder ergens naar toe te gaan, de monotone terugkeer van hetzelfde, een ledig wachten, een wachten op niets.

Of zoals de Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) zei: ‘Verveling is de grondervaring van het lege verstrijken van de tijd.’

Er is één man die als geen ander weet wat verveling is. OBLOMOV (Iwan A. Gontsjarow 1812-1891). Hij is de uitdrukking geworden van het onvermogen om tot iets te komen, lusteloos de dagen door te brengen en totale nutteloosheid te ondergaan. Hij ligt in zijn bed, smeedt grootse plannen en droomt van heroïsche daden. Maar hij komt tot niets en laat het leven uit zijn handen glippen. Zelfs de vrouw die hem haar liefde wil schenken, laat hij aan zich voorbij gaan.

Maar de verveling stamt al uit de tijd ver voor Oblomov. ‘De goden verveelden zich,’ zei de Deense filosoof Soren Kierkegaard (1813-1855), ‘daarom schiepen ze de mensen.’ Adam verveelde zich omdat hij alleen was, daarom werd Eva geschapen. Maar vervolgens verveelden Adam en Eva zich samen, daarna verveelden Adam en Eva, Kain en Abel zich samen als familie, enzovoort, enzovoort, er kwamen meer en meer mensen en men verveelde zich en masse. En de mensheid werd er niet gelukkig van en men verviel van kwaad tot erger.

Is er een uitweg om uit deze sombere tunnel van de verveling te komen? Want als verveling de wortel is van alle kwaad, wat moet men dan doen om deze vicieuze cirkel te verbreken? Verstrooiing zoeken, zo dacht men. En men kwam op het idee een toren te bouwen, zo hoog dat hij tot de hemel zou reiken… Helaas pakte dat niet goed uit. De hoge toren stortte samen met de beklimmers in en stortten in de afgrond. In welke afgrond, zo vraagt u zich af? In de lege tijd, de eigenlijke zondeval.  

Maar het heeft ons niet belet om te blijven zoeken naar oplossingen om uit de impasse van de verveling te komen. Laten we eens kijken naar de slimme oplossing van b.v. de Franse toneelschrijver Molière (1622-1673). Hij wist en weet ons met zijn hilarische en satirische toneelstukken te vermaken en ons af te leiden van onze diepgewortelde verveling.

Of ‘A doll’s house‘ van de Noorse toneelschrijver Hendrik Ibsen (1828-1906). Nora Helmer is getrouwd met Torvald, die haar helemaal naar zijn hand wil zetten en haar als een kind – een pop – behandelt. Nora verveelt zich mateloos in de eentonigheid van het echtelijk bestaan. Maar uiteindelijk herpakt ze zichzelf en met een harde klap slaat ze de deur van het echtelijk huis dicht – en daarmee ook het einde van het toneelstuk. Het stuk werd een doorslaand succes.

Maar helaas, verstrooiing blijkt slechts een tijdelijke ontsnapping. Hoeveel tv.-series – waarbij de misdaad opmerkelijk de voorkeur geniet – we ook consumeren, het zal het wezenlijke van de verveling geenszins teniet kunnen doen.

Hoe kunnen we de verveling en het zich eenzaam voelen doorbreken? Kortom hoe komen we uit deze doodlopende tunnel?

Er is in feite maar één oplossing, en dat is creativiteit, je nuttig en zinvol kunnen en weten te vermaken. Schrijven, muziek maken, tekenen, breien, en ga zo maar door. Het enige dat telt is dat je jezelf erin kunt verliezen. De creatieve mens is voortdurend bezig zichzelf te ontdekken, de eigen identiteit opnieuw vorm te geven. Het allerbelangrijkste is immers het verwerven van nieuwe inzichten. En dat gebeurt uitsluitend wanneer de creatieve mens ALLEEN is. Of zoals de Franse filosoof De Montaigne (1533-1592) zo kernachtig zei: ‘We moeten een klein achterkamertje, dat helemaal van onszelf is, volledig vrij houden, een kamertje waarin we werkelijk vrij, veilig en alleen kunnen zijn.’

eenzaam maar niet alleen, alleen maar niet eenzaam

“Eenzaam maar niet alleen,” was de titel van het boek, verschenen in 1959, van koningin Wilhelmina (1880-1962), waarin ze vertelt van haar leven als koningin des vaderlands. Inderdaad nooit alleen, altijd omringd door lakeien en bedienden, een vorstelijk leven, zou je denken.

Maar kunnen we dit ook anders verwoorden als ‘alleen maar niet eenzaam’. Is de mens een sociaal dier bij wie intieme relaties de voornaamste, zo niet de enige bron van menselijk geluk vormen? Of is de mens een Einzelgänger die pas in volledige afzondering en eenzaamheid zijn creatieve geest ten volle kan benutten en zichzelf tot wasdom kan ontplooien?

Beethoven, Chopin, Kafka, Kierkegaard, Kant, en ga zo maar door, waren allen ongetrouwd of hadden af en toe vluchtige relaties. En was Gustav Mahler (1860-1911) weliswaar getrouwd met Alma, maar hij bracht de meeste tijd door in zijn eigen afgelegen huis waar hij in totale afzondering zijn composities schreef.

Dat wil niet zeggen dat deze componisten, filosofen of schrijvers vreemde of kopschuwe mensen waren, of afweken van de gewone, alledaagse normen. Pas nadat de opvatting postvatte dat een relatie of opgenomen te zijn in een entourage de sine qua non was voor gelukkig zijn, werd de alleenstaande meewarig en zelf meelijwekkend benaderd.

Maar als we dit eens nader gaan bekijken, dan constateren we dat alleen-zijn ook veel positieve waarde heeft. Door het alleen-zijn kunnen we in contact komen met onze diepste gevoelens. We doen nieuwe ideeën op, we denken na over onszelf en kunnen alle tijd nemen om onszelf te ontplooien.

De mens wordt in feite beheerst door twee drijfveren die elkaar dwarsbomen: aan de ene kant heeft men behoefte aan gezelschap of een relatie met een ander; aan de andere kant wil men onafhankelijk en autonoom zijn. En het is juist deze tweeledigheid die, als die in goede samenhang kunnen plaatsvinden, ons gelukkig maakt. Want juist de ander als spiegel, als tegenhanger, als klankbord die ons tegenwicht biedt, is van wezenlijk belang voor de ontwikkeling van onszelf.

Zoals keer op keer is bewezen, zullen mensen die hun geliefde partner verliezen, hun eenzaamheid als grote bron van hun lijden zien. Geen enkele mate van vriendschap – hoe goed bedoeld ook – zal het verlies van de intieme band en van de emotionele intimiteit die ze hadden met hun partner kunnen vervangen.

Want het maatjes-gevoel is meer dan gewoon maar een praatje maken. Het is (h)erkend, bevestigd te worden en een extra dimensie aan je bestaan te ontvangen. Het verlies van een innig geliefde kan NOOIT volledig met anderen worden gedeeld. Het rouwen is nauw verweven met de intimiteiten met de overledene en voltrekt dan ook vooral met name in de eenzame afzondering van de eigen gedachtenwereld.

Vandaar dat alleen zijn met weliswaar een heel veel connecties om je heen, de mens niet echt gelukkig kan maken, wat koningin Wilhelmina zo treffend zei: ‘Niet alleen maar wel eenzaam.’ Een echte soulmate – zoals dat in goed Nederlands heet – is van meer belang om jezelf te leren kennen en te ontdekken, te ontplooien en te ontwikkelen. of zoals de Franse dichter Arthur Rimbeau (1854-1891) zo treffend zei: “j’est un autre”.

Of zoals het geval is met ouderen die alleen wonen en die worden neergezet als eenzaam en ongelukkig. Maar ook hier geldt de norm dat als die alleenstaande ouder in staat is de ander toe te laten, dan is die ouder wel alleen maar niet eenzaam. In bejaardenhuizen en zorginstellingen is je terugtrekken op je eigen kamer daarom ongewenst en wordt men ‘verplicht’ deel te nemen aan allerlei activiteiten.

vaderlandsliefde

Met wat er nu in wereld aan de hand is – mensen die de kop worden afgehakt omdat ze leerlingen de wijsheid van een vrijdenkende geest willen bijbrengen, een president die compleet labiel en geschift is in de VS. en toegejuicht wordt door hordes aanhangers -, kwam me de uitspraak van de Franse dichter en staatsman Alphonse de Lamartine (1790-1869) me helder voor de geest:

Er zijn 2 soorten vaderlandsliefde. Een die bestaat uit alle haat, alle vooroordelen, alle vage antipathieën die de volken, afgestompt door regeringen die er belang bij hebben tweedracht te zaaien, tegen elkaar koesteren…

En een andere, die juist bestaat uit alle waarheden en alle rechten die de volken gemeenschappelijk hebben.’

J’EXCISTE – IK BESTA

Ik reed afgelopen zondag van het Franse Bourgogne terug naar huis in Amsterdam. Het was bar en boos weer, dus moest ik alle concentratiezeilen bijzetten. Verstand op nul en rijden maar…

En dan ineens wordt mijn aandacht getrokken door een uitspraak in enorme grote letters die is aangebracht aan de brug bij Metz. J’EXCISTE

Hè hè, ineens ben ik weer helemaal klaarwakker. Wat staat er nou, hoor ik mezelf hardop mompelen – j’exciste = ik besta…. wat is dat nou voor een uitspraak. Zeker weten dat ik besta. Maar wat betekent het nou in feite dat ik besta. wat is dat ik, en wat is dat besta?

Terug in Amsterdam. en dat is toch wel wennen. Overal mensen, overal fietsers, auto’s, overal lawaai…. Heel wat anders dan het lieve rustige platteland van de Bourgogne met de grazende koeien en het weidse boerenland alom.

‘Oh pardon,’ zeg ik me verontschuldigend als ik per ongeluk tegen een mevrouw aanloop die – eerlijkheidshalve het vermelden waard – midden op de stoep liep met haar man. De vrouw kijkt me niet aan en zegt niets. Ze ziet me waarschijnlijk niet eens. Voor haar besta ik niet, want zij waant zich het centrum van haar bestaan – letterlijk zelfs want blijft gewoon midden op de stoep doorlopen.

Ach, mompel ik zachtjes in mezelf, het is Amsterdam, een grote stad, laat maar. Maar dan even later wil ik de straat oversteken, er komen fietsers aan. Geen één die stopt om een voetganger te laten oversteken. Ze racen in no time door, zonder om te kijken, noch waar te nemen wat er om hen heen gebeurt. Ik besta immers, en ik ben de enige in mijn universum….

de dodelijke verstrengeling tussen psychiater en patiënt

In 1946 wordt aan de Amerikaanse psychiater Douglas Kelley (1912 – 1958) gevraagd zorg te dragen voor de geestelijke gesteldheid van 22 prominenten van het naziregime die in de gevangenis van Neurenberg gevangen zitten na hun ter dood veroordeling. Onder hen bevindt zich Hermann Göring, (1893 – 1946), opperbevelhebber van de Luftwaffe en aangewezen opvolger van Adolf Hitler.

Kelley is enthousiast want wil ontdekken of deze nazimisdadigers geestelijk gestoord zijn of gewoon mensen zijn zoals u en ik. Vijf maanden lang zal hij zeer intensief deze gevangenen onderzoeken, waarbij hij zijn stokpaardje – de Rorschachtest – inzet om het bewijs van zijn these te kunnen onderbouwen. Tot grote verwondering van Kelly komt uit deze test naar voren dat Göring een introverte en niet, zoals men zou verwachten, een extraverte persoonlijkheid zou zijn. Göring zou bovendien, volgens Kelley, egocentrisch en narcistisch zijn. Maar verder benadrukt hij dat er met Göring qua persoonlijkheidsstoornis niets aan de hand is.

Hoewel als de nazi-gevangenen op een dag een film moeten bijwonen die is gemaakt door Britse en Amerikaanse soldaten waarop te zien is hoe het eraan toe gaat in de concentratiekampen, ziet Kelly met eigen ogen hoe Göring en zijn medegevangenen totaal onverschillig reageren bij het zien van de afschuwelijke beelden. Maar hij negeert dit signaal.

Tussen de jonge psychiater Kelly en de rijksmaarschalk Göring ontstaat een warme band, en ze steken elkaars waardering niet onder stoelen of banken. Kelly is vol bewondering voor Göring en waardeert zijn intelligentie; Göring vindt deze jonge ambitieuze Kelly een uitdaging.

Maar dan gebeurt er iets wat Kelly niet had voorzien…. of toch….? Een paar uur voor zijn doodvonnis – door ophanging – zou worden uitgevoerd pleegt Göring zelfmoord. Ondanks dat de gevangenen extreem beveiligd worden, want elke deur van de gevangene wordt dag en nacht bewaakt, lukt het Göring toch om een einde aan zijn leven te maken want wil – ‘waardig’ – sterven, en beschouwde ophanging voor gewone misdadigers. Hij gebruikt daartoe het dodelijk middel cyanide.

Kelley bevindt zich dan in Amerika, en geniet volop van zijn succes. Hij is een t.v.-persoonlijkheid en wordt gevraagd voor conferenties, en interviews voor kranten en tijdschriften. Maar… de buitenkant liegt – net als bij zijn grote voorbeeld Göring. Want Kelley wordt steeds meer meglomaan en terroriseert zijn vrouw en zijn 3 kinderen, met name zijn zoon die net als hij ook Douglas heet.

Het is zondagmiddag nieuwjaarsdag 1958 als Kelley en zijn vrouw tijdens het voorbereiden van de maaltijd in een woordenwisseling geraken – zoals dat schering en inslag is in het gezin Kelly. Kelley stormt woedend naar boven terwijl hij zijn vrouw en zijn kinderen toeschreeuwt – ‘ik ga nu deze capsule cyanide innemen en zal binnen 30 seconden dood zijn.’

Zo gezegd zo gedaan. Psychiater Douglas Kelly – 45 jaar oud – maakt een einde aan zijn leven met hetzelfde gifmiddel – cyanide – 10 jaar na de suïcide van Hermann Göring. Waarom heeft de therapeut Kelly hetzelfde vergif genomen – dat overigens niet gebruikelijk is als men zelfmoord pleegt – als zijn patiënt Rijksmaarschalk Göring, is de vraag die zich onherroepelijk opdringt? Want als psychiater had hij zonder grote problemen gewoon een ander middel kunnen nemen, en hij beschikte zelfs ook – zoals in Amerika gebruikelijk is – over een en zelfs meerdere pistolen in zijn huis. Of is hier sprake van een dermate identificatie met Göring dat Kelley zelf Göring is geworden? Een these die zijn zoon Douglas later zou onderschrijven.

de vrouw – de schaamte voorbij

Het gaat goed met onze economie, horen we deskundigen in koor uitroepen. De Nederlander is tevreden en optimistisch. Maar wie verder kijkt, weet wel beter. Want in een en dezelfde adem wordt ons ook – zij het minder trots – meegedeeld dat vrouwen nog steeds minder verdienen dan mannen en nog steeds niet weten door te dringen tot goede banen en interessante posities. De roep om een vrouwen gelijkwaardigheidsquota is nog steeds broodnodig.

Want de gunstige economie of het tikken van de biologische klok ten spijt, het moederschap en de huwelijkse staat scoren nog hoog bij vrouwen. Het is het enige waarmee ze zich kunnen identificeren. Want het ontbreekt de vrouw nu eenmaal aan een archetype in het collectieve onbewuste. De zoon heeft Jezus, maar de dochter moet het doen met Maria, een vrouw weliswaar maar wel een heel bijzondere, een moeder namelijk die zonder geslachtsgemeenschap een kind heeft gebaard. Het enige archetype dat een vrouw eventueel tot haar beschikking heeft is Eva, maar die werd wegens haar assertiviteit en seksuele nieuwsgierigheid uit het paradijs verdreven.

De optocht van vrouwen om een gelijkwaardige positie te verwerven verloopt moeizaam, en dat kunnen vrouwen zichzelf ook verwijten. Of liever gezegd, het zijn de moeders die hun dochters blijven opzadelen met gevoelens van onzekerheid en minderwaardigheid. Nu is dit ‘het-is-de-schuld-van-mijn-moeder’-idee uiteraard niet nieuw. Moeders staan tenslotte aan de wieg van elk nieuw leven, van zoontjes en van dochtertjes. Dus dat mannen opgroeien tot onderdrukkende macho’s en meisjes tot onzekere, instabiele naar goedkeuring hunkerende vrouwen is gemakkelijk terug te voeren tot de relatie met de moeder. Moeders, kortom vrouwen, zouden derhalve de sleutel tot verandering in handen hebben.

Vele theorieën zijn op dit raadsel al losgelaten. In de jaren zeventig verrichtte de Amerikaanse sociologe en psychoanalytica Nancy Chodorow baanbrekend werk met haar klassieker ‘Waarom vrouwen moederen‘. Haar conclusie luidde dat moeders hun zonen anders, in veel opzichten gunstiger en positiever benaderen dan hun dochters. Haar pleidooi voor gedeeld ouderschap, zodat dochters door hun vaders van deze positieve discriminatie konden profiteren, bleef jarenlang een veelgehoorde wens, maar bleek in de praktijk toch moeilijker te realiseren dan op papier.

Veranderingen komen moeizaam op gang, zijn zeer moeilijk te realiseren, zoals de voorbije feministische golf pijnlijk heeft blootgelegd. Maar sinds korte tijd gloort de zon aan de horizon. De ‘Me-too’-beweging heeft een revolutie in gang gezet, en de vrouwen zijn hun schaamte en nederigheid in rap tempo voorbij aan het snellen. Zo las ik vanmorgen weer in de krant dat ongehuwde zwangere vrouwen in de jaren 50 en 60 hun kind moesten afstaan zonder dat er met hen overleg kon worden gepleegd. Het gebeurde gewoon. en nu – let wel – bijna 70 jaar na dato, gaan deze vrouwen aan de bel trekken. Eindelijk…. de schaamte voorbij.

FEMME FATALE: VON KOPF BIS FUSS AUF LIEBE EINGESTELLT

Toen Eva, aangezet door de slang, van de verboden boom een vrucht nam en die aan Adam gaf, waardoor ze hen beiden in het verderf stortte, werd ze daarmee de eerste femme fatale van de mensheid. Verlokkelijk aan de buitenkant, maar o zo kwaadaardig en onberekenbaar aan de binnenkant, zo luidde het oordeel dat sindsdien over haar zuster-volgelingen zou worden uitgesproken.

Marlène Dietrich (1901 – 1992) vertolkte als de revuezangeres Lola met verve en allure de femme fatale in de film van Josef von Sternberg Der Blaue Engel (1930) met haar lied Ich bin von kopf bis fuss auf liebe eingestellt. Iedereen lag aan haar voeten en professor Unrath volgde haar als een slaaf, compleet in de ban van haar schoonheid. Hij werd een schaduw van haar schaduw en ging uiteindelijk ten onder.

Hoe kon die armzalige, bescheiden Unrath haar ook weerstaan? Met haar halfgeloken ogen, haar zwaar aangezette, lange wimpers, haar hese trage stem, haar uitzonderlijk prachtige lange slanke benen, belichaamde Marlène Dietrich niet zomaar een vrouwelijk type dat weet te verleiden, een speelpop van de man, een seksueel object, maar was ze de belichaming van La Femme, De Vrouw, als mythe.

Greta Garbo (1905-1990) speelde in Mata Hari (1931) de sterren van de hemel en haar naam als femme fatale kon haar – ondanks dat ze zelf deze titel verafschuwde – niet meer worden ontnomen. Garbo bracht, net als Dietrich, met haar marmeren gelaat, haar zwoele, hese, slepende stem, haar mysterieuze, arrogante blik, de mythe van de femme fatale tot leven. Een mythe die voor Dietrich en Garbo, maar ook voor de moderne femmes fatales een zodanig ritueel en realiteit is geworden waaraan ze niet kunnen ontsnappen, waaraan ze totaal zijn onderworpen. Een andere – normale vrouwelijke – identiteit is voor hen onmogelijk en buiten hun bereik.

Maar wie gaat er schuil achter het masker van de femme fatale, die als een soort vleesetende plant wordt voorgesteld die haar prooi aantrekt om de man daarna te verzwelgen? Was will das Weib? riep vrouwenkenner bij uitstek Sigmund Freud (1858-1939), de vader van de psychoanalyse, vertwijfeld uit, zonder ooit een bevredigend antwoord op zijn eigen vraag te vinden. Is niet elke vrouw, zo wordt steevast beweerd, per definitie fataal en boezemt ze niet altijd angst en ontzag in? De vrouw is immers, doordat ze kinderen kan baren, meesteres over het leven. Zij is er de stille getuige van dat de man niet alles in zijn macht heeft, ook al probeert hij haar, zoals de geschiedenis wreed vertelt, te temmen, haar als heks te laten verbranden, te verkrachten, of aan het gezichtsveld compleet te onttrekken door haar te verplichten haar lichaam en zelfs haar gelaat achter sluiers te verbergen.

“Ik herinner me,” zo vertelde me een femme fatale die volgens eigen zeggen een notoire mannenverslindster is, “hoe ik als klein kind tegen mijn twee jaar oudere broer opkeek. Ik probeerde hem in alles te overtreffen. Beter te zijn op school, met sporten, in het spelen van muziek. En, ik moet zeggen, het is me uiteindelijk gelukt.” Maar echt gelukkig prijst ze zich niet met haar overwinning. “Hoewel ik alle ingrediënten bezat die nodig waren om gelukkig te worden,”verzuchtte Greta Garbo meer dan eens, “voelde ik onvrede met mezelf en was ik vaak depressief.”

De femme fatale beseft dat ze, in tegenstelling tot haar mannelijke rivalen, die macht slechts ’te leen’ heeft. Van Dietrich wordt gezegd dat ze zich ‘emotioneel een man voelde’, en zelf opperde ze dat ze ‘biseksueel’ was. Ook Garbo was niet duidelijk over haar voorkeur voor mannen of vrouwen. Dat ze eventueel ook lesbisch was heeft ze evenwel bevestigd noch ontkend.

De femme fatale is er niet op uit de man te beminnen. Rücksichtlos ontdoet ze zich van hem. Hij is immers haar eeuwige rivaal in de strijd om de macht, die hij wel bezit en waarvan zij is verstoken. Maar dit spel van beul en slachtoffer kent geen overwinnaar. Greta Garbo trok zich terug in totale afzondering en eenzaamheid. En nooit verliet Marlène Dietrich haar Parijse appartement.

Ich bin von kopf bis fuss auf Liebe eingstellt, zong Dietrich zwoel. Zelf mocht ze de ‘ware liefde’ niet smaken. Geen enkele man kon haar geven wat ze werkelijk zocht. Ook Greta Garbo bleef verstoken van de ideale man. De femme fatale is fataal voor de ander en voor zichzelf. Gevangen in de strikken van de mythe waarin ze gevangen zit, is ze gedoemd het spel te spelen tot het bittere einde. Ontsnappen is niet mogelijk tot de dood haar kan bevrijden.

MIJN NAAM: WAAKHOND TEGEN DE GEKTE

Het complete oeuvre van de Ierse schrijver James Joyce (1882-1941) beslaat niet meer dan 5 boeken. Het aantal commentaren, studies, analyses en kritieken daarop omvat inmiddels het honderdvoudige. Joyce is een groot schrijver; men schaart hem zelfs onder de allergrootsten. De problemen beginnen pas als men Joyce probeert te doorgronden. Jaar in jaar uit sloven geleerden zich uit om het fenomeen Joyce te ontrafelen. Joyce zelf kan tevreden zijn. Zijn wens onsterfelijk te zijn – ‘Ik heb zoveel raadsels en puzzels in mijn werk gestopt dat ik de professoren nog eeuwen bezig zal houden’– gaat zonder meer in vervulling.

Taal bepaalt het leven en denken van de mens, zo leert ons de psychoanalyse. Sigmund Freud (1856-1939) sprak in zijn Traumdeutung (1900) van de droom als rebus. Iets wetenschappelijker gezegd: de ‘symbolische‘ orde domineert de orde van het beeld – de image – en de orde van de psychische realiteit, respectievelijk de ‘imaginaire’ en de ‘reële‘ orde genoemd.

Maar Joyce heeft deze structuralistische benadering die in de jaren vijftig en zestig het Franse psychoanalytische en wetenschappelijk klimaat beheerste gecorrigeerd. Niet meer één orde, die van de taal, overheerst de twee andere – de imaginaire en reële orde – , maar alle drie hebben ze dezelfde waarde. Hoe heeft Joyce dat voor elkaar gekregen? Laten we dat nader gaan bekijken in het oeuvre van Joyce zelf.

Joyce moet net als de hoofdpersoon Stephen Dedalus in Stephen’s Hero onophoudelijk schrijven om niet waanzinnig te worden. Stemmen geven Stephen / Joyce de opdracht om te schrijven. In zijn laatste boek Finnegans Wake bereikt deze waanzin zijn hoogtepunt. De stem die voorheen nog van buitenaf tegen Joyce spreekt, wordt nu zelf ingebracht in het schrijven en maakt daar een wezenlijk onderdeel uit. Finnegans Wake is slechts te ‘begrijpen’ als het hardop wordt gelezen. Hiermee is Joyce niet enkel meer auteur maar ook lezer geworden, en zo bereikt hij een dubbel soort genieten – jouissance -: hij leest zichzelf en hij hoort zichzelf schrijven.

Maar welke stem wil Joyce in feite laten spreken? De cruciale vraag waarmee Stephen Dedalus onophoudelijk wordt geconfronteerd luidt: ‘Wat is je vader? Wat voor soort naam is dat?’ Dedalus is inderdaad een rare, ongewone, bijzondere naam. Hij is niet, zoals een naam hoort te zijn, nl. de naam van de vader. Voor Stephen / Joyce heeft de naam van de vader géén symbolische betekenis gekregen. In Portrait of the Artist as a Young Man laat Joyce vader Simon tegen zijn zoon Stephen zeggen: ‘Ik praat tegen je als een vriend, Stephen. Ik geloof er niet in om de strenge vader te spelen. Ik geloof er niet in dat een zoon bang zou moeten zijn voor zijn vader. Nee, ik behandel je net zoals je grootvader mij behandelde toen ik nog een jonge vent was. We waren meer broers dan vader en zoon.

En zo komen we dus bij de vierde orde, naast die van de symbolische, imaginaire en reële, nl. die van ‘de naam van de vader‘ en die nodig is om de drie andere bij elkaar te houden. In het verhaal van Simon Dedalus ontbreekt deze laatste orde omdat hij geen symbolische inhoud aan zijn vaderschap wil/kan geven, en dit heeft catastrofale gevolgen voor zijn zoon Stephen. Het duizelt hem, hij opent zijn ogen die hij tot dan toe gesloten had gehouden, hij wordt getroffen door de zon die hem verblindt, dan raakt hij de beheersing over zijn stem kwijt, de letters beginnen te trillen en Stephen verliest het bewustzijn. Hij herinnert zich niets meer. Met andere woorden, door deze ‘simpele’ mededeling van vader Simon dat hij géén vader wil zijn, stort de hele – imaginaire en reële – wereld van Stephen in.

Stephen probeert de ‘ramp’ te herstellen door hardop te declameren. ‘Ik ben Stephen Dedalus. Ik loop naast mijn vader wiens naam Simon Dedalus is. We zijn in Cork, in Ierland. Cork is een stad. Onze kamer is in het Victoria Hotel. Victoria en Stephen en Simon. Simon en Stephen en Victoria. Namen.’ De eigennamen vormen een keten, waarbij de naam van de vader – Simon – het punt is waarop hij rechtsomkeert maakt.

Uit dit fragment leren we hoe Joyce eigennamen en ook elders letters en inintialen – S.D. – als een symbolische kapstok gebruikt om de imaginaire beelden en de reële orde bij elkaar te kunnen houden. Door het schrijven van namen probeert Joyce een eigen naam te creëren, die de vader hem eigenlijk had moeten geven, om zo aan de waanzin te ontsnappen. Zo wordt het schrijven voor Joyce het symptoom waardoor hij de drie orders bijeen kan houden en als een ‘normaal’ mens verder kan blijven functioneren. Het laatste woord ‘the‘ van Finnegans Wake laat zich verbinden met het eerste woord waarmee het boek begint – riverrun – en zo is de cirkel weer rond en gesloten.